Een dubbele uitdaging voor de basisopleiding: De transitie van burger tot militair en van gecentraliseerde naar gedecentraliseerde opleiding

Bart HACCURIA

Tijden veranderen. Dat geldt ook voor de basisopleiding van rekruten die hun eerste weken bij Defensie doorbrengen. Tot voor enkele maanden passeerden alle Nederlandstalige kandidaten in het Centrum voor Basisopleiding en Scholing (CBOS) Noord in Leopoldsburg, de Franstaligen in het Centre d’Instruction de Base et d’Ecolage (CIBE) Sud. Sinds 2019 hebben regionale vormingscentra een deel van de opdracht op zich genomen. Dit betekent niet dat het CBOS en het CIBE voortaan geen rekruten meer opleiden. Ze delen deze opdracht nu met de gemotoriseerde bataljons, het Bataljon Artillerie en het Trainingscentrum Commando.

Van centraal naar lokaal

Het CBOS Noord staat in 2019 in voor de opleiding van drie lichtingen kandidaten. Een jaar geleden ging het nog om tien lichtingen, goed voor 333 kandidaten. Er is nu een duidelijke geografische spreiding over de regionale centra. Wat uiteindelijk het voornaamste objectief is van de gedecentraliseerde basisopleiding. Dit vormt een belangrijke schakel in het verkleinen van de woon-werkafstand, hetgeen voor de meeste kandidaat-militairen van groot belang is. Voor het CBOS en het CIBE betekent deze hervorming meteen ook een nieuwe uitdaging. Ze ontwikkelen een nieuwe identiteit als “centre of excellence” voor de basisopleiding. Daarnaast krijgen ze er enkele opdrachten bij, zoals de opleiding van de nieuwe reserve. Acht pelotons per taalstelsel doorlopen er in de maanden juli en september hun basisvorming. Een bijkomende tijdelijke opdracht is het verzorgen van de basisopleiding van tien weken en de voortgezette kaderopleiding van vier weken voor de officieren bijzondere werving. Ondertussen draaien de regionale centra op volle toeren. Ze vormen samen met het CBOS en het CIBE de ruggengraat van de basisopleiding voor vrijwilligers binnen Defensie.

De divisie HRC van DG HR zorgt voor de standaardisatie en conformiteit van een praktijkgerichte en progressieve opleiding. Het leerplan Militaire Initiatie Fase (MIF) is hiervoor de referentie. Het leerplan is ondertussen opgetrokken van 10 naar 12 weken om voldoende progressiviteit in te bouwen. Dit past perfect in de huidige tijdsgeest waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de jonge rekruten. Ook hier geldt de stelling dat “tijden veranderen”. Zo kunnen de kandidaten op maandagmorgen in de school aankomen in plaats van, zoals vroeger, op zondagavond. Op vrijdagmiddag trekken ze wat vroeger richting thuisfront. Tijdens de opleiding is in vrije avonden voorzien voor ontspanning en “me time” en is er ruimte voor het gebruik van de moderne communicatiemiddelen zoals de smartphone.

Stap voor stap van burger naar militair

Om de transitie van burger naar militair vlot en progressief te laten verlopen, zijn de eerste dagen van de opleiding cruciaal. Op de eerste inlijvingsdag worden ouders, familieleden en partners nauw betrokken. Zij spelen een zeer grote rol in de motivatie en het doorzettingsvermogen van de kandidaat. Het is daarom belangrijk dat zij weten wat er tijdens de opleiding gebeurt, hoe die verloopt en wat er verwacht wordt van hun rekruut. Enkel op die manier kan een kandidaat-militair van thuis de steun krijgen die noodzakelijk is. De eerste week staat vooral in het teken van administratie, het uitdelen van kledij en uitrusting, het bezoeken van de arbeidsgeneesheer en het administratief steunelement. Voor al deze activiteiten voorziet het leerplan in tijd. Dit moet vermijden dat de overgang te bruusk verloopt. Er komt die eerste dagen veel informatie op de kandidaten af. Ze hebben tijd nodig om die te verwerken en daar wordt rekening mee gehouden.

Stap voor stap worden de kandidaten ingewijd in specifieke militaire materie zoals reglementen, procedures en veiligheidsbriefings. Vanaf dag één is er ook aandacht voor de karakteriële en fysieke vorming. De onderrichters waken erover dat dit alles progressief verloopt. Ze nemen regelmatig de tijd om te herhalen. De kandidaten staan tijdens hun vormingstraject centraal en worden permanent en optimaal begeleid. Niemand wordt aan zijn lot overgelaten. Ondertussen zoekt de kandidaat zijn weg in het militaire milieu, leert in groep werken en assertief te zijn. Van de kandidaat wordt de noodzakelijke moed verwacht om aanvaardbare risico’s te nemen, zowel op fysiek als moreel vlak. Ook loyaliteit ten opzichte van de organisatie en de collega’s is een must. De kandidaat leert zijn rechten kennen maar wordt ook gewezen op zijn plichten.

Andere tijden

Elke militair heeft ongetwijfeld herinneringen aan zijn eigen basisvorming. Die heeft de laatste jaren een heuse “make-over” doorgemaakt. Respect, in de ruime zin van het woord, is de rode draad doorheen de opleiding. Respect voor het individu, zijn of haar achtergrond, vorming en ervaring uit de burgerij, leeftijd maar ook geaardheid en vaardigheden. Er is binnen de opleiding absoluut geen plaats voor discriminatie, geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Als zich toch problemen voordoen die niet onmiddellijk binnen de instructiecompagnie kunnen opgelost worden, zijn er nog externe hulplijnen zoals vertrouwenspersonen, een team maatschappelijke assistenten, juridische adviseurs, specialisten in psychosociale bijstand en moreel consulenten. Een omvangrijk vangnet dus om te vermijden dat de kandidaat vroegtijdig afhaakt zonder dat er aan de oorsprong van het probleem iets wordt gedaan.

Er wordt veel belang gehecht aan het uitleggen van “waarom” we iets doen en waarom we het op die specifieke manier doen. Dit is een belangrijke sleutel tot succes bij de aanpassing aan een nieuwe omgeving. De kandidaat mag tijdens het leerproces fouten maken. Fouten vormen leermomenten, zowel voor het individu als voor het peloton waartoe hij behoort. Worden ze met opzet gemaakt, dan is er het tuchtsysteem om dat te bestraffen. Er mag geen twijfel over bestaan, discipline en militaire tucht blijven onontbeerlijk. Bewuste of onbewuste fouten worden ook altijd gebruikt om de kandidaten op een continue basis te begeleiden in hun karakteriële vorming. Binnen de centra voor basisopleiding wordt streng maar rechtvaardig opgetreden bij het niet naleven van regels of gemaakte afspraken. Fysieke straffen zijn ten stelligste verboden. Fysieke training staat volledig los van eventuele tekortkomingen van de kandidaten. Jonge rekruten zijn vandaag mondiger en assertiever. Daar is begrip voor. Een mening hebben kan en mag. Er zijn tal van momenten waarbij met de onderrichters van gedachte kan gewisseld worden. Open en correcte communicatie is van het grootste belang.

Onze opleidingscentra verwachten van de kandidaten 100 % inzet en engagement tijdens de unieke opleiding die de MIF toch is. De onderrichters en medewerkers van de opleidingscentra moeten zich op hun beurt bewust zijn van hun voorbeeldfunctie. Dit klinkt evident maar blijft een dagelijkse uitdaging. De centra voor basisopleiding hanteren duidelijke waarden en normen. De rekruten hebben recht op professionele begeleiding. Onderrichters moeten plichtsbewust, loyaal, flexibel en zeer beschikbaar zijn en hun verantwoordelijkheid nemen. Een juiste ingesteldheid en de nodige motivatie zijn onontbeerlijk. Alleen zo kunnen de centra voor basisopleiding een kwaliteitsvolle basisopleiding verstrekken. Door vormingscentra te zijn waar de fundamenten voor een succesvolle toekomst als militair gelegd worden, doen ze hun titel als “centre of excellence” alle eer aan.

Ziekte, invaliditeit of overlijden
Ziekte, invaliditeit of overlijden
Defensie als lerende organisatie
Defensie als lerende organisatie
Waarden in een stripverhaal
Waarden in een stripverhaal
Mutatieplanning
Mutatieplanning